Onze voorvaders
Voor hen die de wereld
bevaren,
Onverschrokken maar met een wit gezicht.
In Oceanië,
Onderschatte eilandgroep,
Overmoedig avontuur,
Waar de Papoea van Irjan Jaja’s
Dubbele toegeeflijkheid
Menig missionaris het hoofd op hol bracht,
In ontroerende bewondering.
Waar eens het keerpunt op de oost,
Waar idealen strandden
op de oeverloze oereilanden van sago en sagen
Van kokos’s en koppensnellers.
In Azië
Van Batavia tot aan Formosa.
Onaantastbare geisha,
Met een wit masker voor haar geel gelaat.
Onneembare vesting van Yen en Yin.
Van Amoer en amour.
Waar wij voor geld verboden liefde kochten.
Waar wij slaven en handel dreven.
Waar wij havens namen, en een meisje.
Paarlen havens voor de zwijnen.
En een baboe voor de kleine.
In Afrika
Zwarte dame,
Van dit betoverend stammenschaakspel.
Dat veroverd en verdeeld,
In de schaduw van Europa.
Kolonisator en katalysator,
Van ’t kwaad tot ‘t nog erger.
Machteloze mooie moeder!
Waar de kaap door ons gekaapt
Ondanks zoveel goede hoop
Gesmoord in haar kinderhanden.
In Amerika
Waar de jongens van de
With,
Met schepen vol kanonnen
De geschiedenis in voeren.
Die witter dan de jongens van de With,
De roodhuiden verjoegen.
Waar zoveel leed, verscheept naar Suriname,
Daar als lianen de volkeren verstrengden.
Waar eerst wit was,
Verschijnt nu rood op ons gezicht,
En bruin van zoveel zomerzon.
We zullen onze voorvaders
herdenken,
Hun trieste sporen stilaan wissen,
Terwijl we ons bloed mengen tot in vergetelheid.