Naderend onweer
Helgroen prikken jonge dennen
Hun naalden in de lucht,
Die breekt in bundels licht.
Een rotswand wankelt over een ravijn,
Een weg slingert wat doelloos rond.
De regen brengt het fluitenkruid aan ’t trillen.
De wolken dempen elk geluid.
De wolken zwaar gestapeld op een huis,
Waarin verveeld een vrouw de vensters
sluit.